Kunstkuur voorwaarden

Gedurende drie schooljaren deelt een leraar uit het deeltijds kunstonderwijs de klasvloer binnen een school of instelling van het hoger onderwijs. Eventueel kan een derde cultuureducatieve partner ook betrokken worden. Alle partijen werken een samenwerking uit op maat van de school.

Aanvragen voor het volgende schooljaar moeten ingediend worden tussen 1 december en 15 februari

De samenwerking duurt drie schooljaren.

Aan een samenwerking nemen minstens één academie en één school voor basisonderwijs of secundair onderwijs of instelling voor hoger onderwijs deel. Op vraag van die partners kunnen andere (externe) partners die ze relevant achten voor het realiseren van de doelstellingen bij het samenwerkingsinitiatief betrokken worden. Denk hierbij aan een cultuureducatieve organisatie, een armoedevereniging, een amateurkunstenvereniging of een individuele kunstenaar.

De partners dienen een aanvraag in die volgende onderdelen omvat :

  • een schets van de beginsituatie rekening houdend met de context en specifieke behoeftes van de beide partners.
  • een beschrijving van de manier van aanpak: op welke manier zal je de expertise tussen de leerkracht, dko-leerkracht en eventuele partner delen, inzetten en verhogen?
  • hoe werk je aan het verhogen van het cultureel bewustzijn en de culturele expressie?
  • de planning van de leeractiviteiten
  • de wederzijdse verantwoordelijkheden van de deelnemende scholen en/of instellingen
  • als er samengewerkt wordt met een externe partner, de manier waarop deze samenwerking wordt vormgegeven
  • het aantal lestijden die voorzien worden voor de samenwerking
  • de initiatieven die worden genomen om leerlingen uit het basis- of secundair onderwijs toe te leiden naar het dko.

 De beoordelingscommissie beoordeelt je aanvraag op basis van de volgende criteria:

  1.  de wijze waarop de leerkrachten en eventueel een externe partner op de klasvloer expertise delen, aanwenden en verhogen.
  2. een gezamenlijke inschatting van de beginsituatie op het vlak van kunst- en cultuureducatie van de school (bao, so en ho).
  3. de mate waarin het voorstel tegemoetkomt aan de specifieke behoeften en context van de scholen, de instelling voor hoger onderwijs en de academie in kwestie.
  4. het potentieel van het voorstel om leerlingen van het bao of so die artistieke interesses hebben, naar het dko toe te leiden.
  5. de mate waarin de leeractiviteiten die het culturele bewustzijn en de culturele expressie verhogen, worden geïntegreerd in of aansluiten bij de dagelijkse lespraktijk van de scholen of de instellingen voor hoger onderwijs in kwestie.
  6. de relevante deelname van een externe partner aan het project.