Jordi Casteleyn | Meer en beter lezen: ‘Volume is belangrijk. Van teksten en van woordenschat’
Jordi Casteleyn, hoofddocent Vakdidactiek Nederlands aan de Universiteit Antwerpen en voorzitter van de werkgroep Leesoffensief Onderwijs 2.0 van de Vlaamse overheid, hoopt dat het langetermijnperspectief van het huidige Leesoffensief helpt om blijvende inspiratie te bieden. Tegelijk droomt hij dat het initiatief op termijn overbodig wordt.
‘Met het Leesoffensief willen wij schoolteams inspireren, maar hen ook overtuigen dat hun praktijk interessant kan zijn voor anderen. We moeten meer durven uitpakken met wat we goed doen in plaats van te blijven hameren op wat misloopt. Tegelijkertijd moeten we ambitieus zijn. We mogen ook kritisch voor onszelf zijn, het werk is niet af.’
‘Ik vind samenwerkingsverbanden en kennisdeling heel belangrijk, maar het lijkt me niet aangewezen dat onderzoekers voortdurend bovenaan de ladder naar beneden staan te roepen dat het anders moet. Het mag geen top-downshow zijn met een gids die alles strak aflijnt. En dan moet ik ook wel in eigen boezem durven kijken. Door het heel precies te willen formuleren, ontstaat wel eens de indruk dat er maar één juiste weg is.’
Kennisdeling
‘Zowel onderzoek als praktijk is belangrijk. Ik hoop dat er op termijn van onderuit een soort grassroots-beweging van leerkrachten kan ontstaan die zichzelf informeert en ondersteund wordt door wetenschap.’
‘Enkele jaren geleden organiseerden we een studiedag. Na afloop bleef ondanks het mooie weer een grote groep leerkrachten hangen om extra vragen te stellen. En terwijl ik met hen in gesprek ging, dacht ik: hoe komt het nu dat sommige mensen met hetzelfde beroep en dezelfde bezorgdheden op nog geen 50 kilometer van elkaar werken, en pas op zo’n studiedag elkaar leren kennen en elkaar kunnen informeren over hoe zij het op hun school aanpakken?’
‘De vraag is: hoe optimaliseren we die kennisdeling? Naar zo’n studiedag komt een minderheid. Hoe zorgen we voor een goede doorstroming van informatie? Dat faciliteren moet van het beleid komen, maar laten we ons niet blindstaren op het regeringsbeleid alleen. Er zijn zoveel beleidsniveaus, en het belangrijkste is wellicht het beleid op schoolniveau.’
‘Veel staat of valt met de directie van een school. Je hebt leerkrachten nodig die samen de kar trekken, maar ook een directie die kansen geeft aan nieuwe ideeën en deze collega’s ondersteunt. We onderschatten de kracht van directies. Sommige zijn echte voorlopers die dingen willen veranderen, en andere zijn meer afwachtend. Natuurlijk moeten ze allemaal de tijd krijgen om bekend te raken met evidence-informed onderwijs en om hun praktijk te veranderen.’
Een muur van taal
‘Vroeger stond er soms een echte muur van taal tussen leerlingen en de doelen die ze moesten bereiken. Bij wijze van spreken moest je behoorlijk wat kennis van zinsontleding hebben om bijvoorbeeld een tekst uit een handboek biologie te begrijpen. Als een leerling voor een vak wou slagen, moest die wel teksten studeren. Er was bijna geen andere optie.’
‘Vanuit de pedagogie is daar een goed bedoelde reactie op gekomen. Er kwamen alternatieve manieren om de doelen van een vak te bereiken. In die muur van taal werden overal poortjes aangebracht, waardoor je minder met het lezen van teksten geconfronteerd werd. Ergens begrijp ik dat. Men wou de lat niet lager leggen, men wou vooral dat meer leerlingen meer doelen konden bereiken. Helaas is daardoor wel de aandacht voor teksten verminderd, want die taalmuur was plots minder aanwezig.’
‘Maar die taalmuur kan je natuurlijk niet volledig wegdenken. Zeker in het secundair onderwijs zit je met onderwerpen waarvan de complexiteit enkel via lange teksten goed weergegeven wordt. Spijtig genoeg zitten er dan leerlingen in de B-stroom secundair onderwijs die onvoldoende in staat zijn om op een adequate manier met die complexe taal om te gaan.’
‘Laat lezen ook onderdeel zijn van niet-talige leergebieden.’
‘Is lezen vandaag de dag moeilijker geworden door de verregaande digitalisering van onze samenleving? Ik geloof dat niet, want dit fenomeen is niet uniek voor onze regio. Bovendien zijn goed ontwikkelde digitale middelen ook maar dragers van informatie. Maar let op, bij jonge kinderen blijft papier belangrijker dan het digitale.’
‘Uit onderzoek leren we dat wanneer een tekst gemakkelijker wordt gemaakt dan ze origineel was, ze dan ook meteen moeilijker wordt voor mensen die niet zo goed kunnen lezen. Bovendien zijn leesstrategieën die we de leerlingen meegeven, vooral nuttig bij die moeilijke teksten. Beter te moeilijk dan te gemakkelijk dus. Moeilijk, maar wel haalbaar uiteraard.’
Lezen is normaal
‘Ik durf wel eens jaloers door de metro van Londen of Parijs lopen en me vergapen aan die grote posters waarin boeken worden aangeprezen. We moeten dat niet kopiëren, maar het feit dat je dat bij ons veel minder ziet, zegt volgens mij veel over onze houding ten aanzien van lezen. We moeten ernaar streven dat lezen en schrijven overal aanwezig zijn in de maatschappij. Binnen het onderwijs moet dat gewoon een logisch gegeven zijn, niet iets waar je voor of tegen bent.’
‘Je hoort wel eens dat leerlingen op school heel weinig moeten lezen, bijvoorbeeld één korte tekst per dag, terwijl ze de rest van die dag informatie op andere manieren verwerven. Maar volume is belangrijk wanneer het om lezen gaat. Leerlingen moeten leeskilometers maken: hoe meer ze lezen, hoe beter. En dan is het natuurlijk fijn dat ze buiten de les extra boeken lezen, maar laat lezen ook onderdeel zijn van talige domeinen in andere leergebieden. Koppel daar woordenschat aan. Zorg voor een samenhang tussen de thematiek en de woordenschat in zo’n tekst. Niet alleen het volume van teksten, maar ook het volume van woordenschat is belangrijk.’
Lees- en taalbeleid
‘Waar we vaak te weinig aandacht voor hebben, is de transfer tussen lezen en schrijven. Lezen is fijn en noodzakelijk, maar zetten we daarnaast voldoende in op schrijven? Tijdens de PIRLS-test wordt er bijvoorbeeld gevraagd om een reden te geven voor een actie van een personage uit het tekstfragment. Als de leerlingen al eens zelf een verhaal schrijven, is het gemakkelijker om die vraag te beantwoorden.’
‘Begin al vanaf het kleuteronderwijs om leerlingen te laten wennen aan de basis van geschreven taal, bijvoorbeeld de fysieke handeling van het schrijven van een letter. Natuurlijk moeten ze nog niet leren schrijven. Maar wanneer kinderen al snel kennismaken met letters en klanken, wanneer hun fonemisch bewustzijn wordt gestimuleerd in een context vol kennis en woorden, als ze een expliciet aanbod in mondelinge taalvaardigheden krijgen, dan is de kans groter dat ze later sterke lezers zullen worden. Natuurlijk moet het een doorgaande lijn zijn, tot en met het secundair onderwijs.’
‘In het onderwijs ligt de focus eerder op het oplossen van problemen en minder op het vermijden ervan. Remediëring is uiteraard goed, maar preventie is nog sterker. Bij remediëring krijgen leerlingen vaak geen tweede kans meer om toe te passen wat ze geleerd hebben. Bij preventie staan deze leerlingen net sterker aan de start. Je zet dan ook in op betrokkenheid, want deze leerlingen voelen zich niet gestigmatiseerd omdat ze iets niet kunnen. Ik lees in de acties van de boekenjuffen veel flankerende maatregelen, fantastisch, maar ik hoop dat die acties ingebed zijn in een structurele klas- en schoolpraktijk. Enkel inzetten op remediëring en preventie negeren is niet goed.’
‘Hoe jonger de kinderen, hoe algemener die preventie ook is. De basis van taal is dezelfde voor elk kind. Daardoor is het ook vaak eenvoudiger toe te passen, dan achteraf gericht te gaan remediëren. Als zou blijken dat een kind toch geen directe nood aan die preventie had, dan heb je de basis van dat kind verbreed, en ook dat is positief.’
Monitoren
‘Evaluatie bezet een belangrijke plaats in het leven van leerkrachten, maar het roept tegelijkertijd veel vragen bij hen op. Ik begrijp dat, gevalideerde toetsen ontwikkelen en die interpreteren is erg moeilijk.’
‘Maar wat leerkrachten wel goed kunnen, is oordelen over wat hun leerlingen wel en niet kunnen. Je hebt hiervoor niet altijd een klassieke toets nodig. Laat bijvoorbeeld een leerling een tekst voorlezen. Je hoort dat iemand niet pauzeert bij een leesteken, dat er geen intonatie wordt ingezet om een tekst spannend te maken of dat ze gewoon niet weten waarover de tekst gaat. Soms missen ze zelfs de technische vaardigheid om lettertekens in klankvormen om te zetten.’
‘Op dat moment wordt monitoring belangrijk en dat gaat breder dan pure evaluatie. Waar worstelen leerlingen specifiek mee? Hoe kunnen we hen sterker maken? Laat de leerlingen na enkele maanden opnieuw zo’n tekst voorlezen. Zijn ze verbeterd?’
‘Ik vind het heel mooi dat al die boekenjuffen zo hard werken aan leesmotivatie. Het is erg belangrijk dat leerlingen ook genieten van teksten en ondertussen een stuk cultuur meekrijgen. Ik kwam als kind zelf uit een klassiek arbeidersgezin. Wij gingen niet vaak op reis en gingen niet naar de muziekschool, maar mijn moeder nam me wel voortdurend mee naar de bibliotheek. Het was daar dat ik een heel wereldbeeld meekreeg. Als leerlingen dat niet van thuis meekrijgen, is het belangrijk dat ze het via boeken, via de klas, wel meekrijgen.’
‘Door teksten te lezen, worden leerlingen ook sterker in voorspellend lezen. Zo leer je wat je als lezer kan verwachten, bijvoorbeeld wanneer het plots begint te onweren in een horrorfilm. Daarom pleit ik ervoor om leerlingen zoveel mogelijk aan het werk te zetten: laat ze lezen en spreken, laat ze schrijven en hou in de gaten of ze beheersen wat de belangrijkste zaken in een tekst zijn.’
‘Zowel onderzoek als praktijk is belangrijk. Ik hoop dat er op termijn van onderuit een soort grassroots-beweging van leerkrachten kan ontstaan die zichzelf informeert en ondersteund wordt door wetenschap.’
‘Maar focus niet te hard op monitoring alleen. Stel je voor dat je de Ten Miles van Antwerpen wil lopen: moet ik me dan eerst uitgebreid laten screenen in een universitair ziekenhuis of kijk ik eerst eens of mijn basispakket wel in orde is? Met andere woorden: je hebt niet altijd een test nodig die perfect in orde is om te weten dat je goede schoenen nodig hebt en dat je gezond moet eten. Ook in leesonderwijs weten we wat werkt: instructie in lezen, instructie in schrijven, instructie in de relaties die de lezer legt in de tekst, via verwijs- en signaalwoorden tussen zinnen en tussen een tekst en de wereld.’
De Beste Boekenjuf/meester van het jaar
De prijs voor de Beste Boekenjuf/Boekenmeester beloont leerkrachten (kleuterschool en basisschool) die een concrete en dagelijkse inzet tonen voor leesbevordering en het werken met kinderboeken in de klas. In het magazine brengen de kandidaten hun verhalen en je vindt er massa's tips en tricks rond lezen en leescompetenties in de klas.
Beste Boekenjuf/meester is een initiatief van CANON Cultuurcel in samenwerking met Iedereen Leest en Vlaamse kinder- en jeugdboekenuitgevers.
Nomineer jouw kandidaat
Wie besmet jou met zijn of haar passie voor (voor)lezen? Wie vult de boekenhoeken op school met een rijk en recent aanbod? En wie wakkert in jouw team het leesvuur aan? Kortom, welke juf of meester heeft op jouw school het grootste hart voor boeken? Ken jij zo iemand? Nomineer je kandidaat via Cultuurkuur.